Een bromfietser raakt in augustus 2021 betrokken bij een verkeersongeval wanneer hij wordt aangereden door een auto. De verzekeraar van de tegenpartij erkent de aansprakelijkheid voor het ongeval. De gevolgen voor het slachtoffer zijn aanzienlijk: hij loopt meerdere botbreuken op, ondergaat diverse operaties en werkt langdurig aan zijn revalidatie. Die revalidatie is nog in 2025 gaande en een medische eindtoestand is nog niet bereikt. Wat het ongeluk echter vooral kostte, was zijn droom om (zelfstandig) interieurbouwer te worden.
Ten tijde van het ongeval was het slachtoffer begonnen aan de mbo-opleiding Interieurbouw. Het was zijn droom om meubelmaker te worden. Ondanks het letsel dat hij opliep bij het ongeval, de operaties die hij in verband daarmee moest ondergaan en de revalidatie die daarna nodig was, heeft hij kans gezien zijn opleiding zonder vertraging af te ronden. Om zijn kansen op de arbeidsmarkt, met zijn (mogelijk blijvende) beperkingen te vergroten, heeft hij een vervolgopleiding tot werkvoorbereider gedaan. Al vroeg tijdens de opleiding ondervond het slachtoffer dat het werk als werkvoorbereider hem niet goed paste. Toch heeft het slachtoffer de opleiding afgemaakt om het diploma te halen, maar niet met het idee om daarna ook in die functie te gaan werken. Al tijdens de laatste periode van zijn opleiding tot werkvoorbereider heeft het slachtoffer samen met zijn broer gewerkt aan het opzetten van een eigen bedrijf, dat in 2024 operationeel is gegaan. Het bedrijf levert voor het slachtoffer nog geen inkomen op. De gemaakte omzet wordt nog volledig geïnvesteerd in de onderneming.
Een slachtoffer heeft de wettelijke verplichting om, binnen redelijke grenzen, maatregelen te nemen om verdere schade te voorkomen of te beperken. Dit wordt ook wel de schadebeperkingsplicht genoemd. De aansprakelijke partij hoeft alleen de schade te vergoeden die het slachtoffer redelijkerwijs niet kon voorkomen. Wordt hier niet aan voldaan, dan komt het deel van de schade dat voorkomen had kunnen worden voor rekening van het slachtoffer zelf. De verzekeraar voert aan dat op het slachtoffer een schadebeperkingsplicht rust en dat hij aan die plicht kan voldoen aangezien uit een rapport van een verzekeringsarts blijkt dat het slachtoffer volledig belastbaar is voor het verrichten van fulltime werkzaamheden als werkvoorbereider, dan wel in een andere vergelijkbare functie. De verzekeraar wijst erop dat het ondernemerschap naar zijn aard een langdurig en onzeker proces is.
Het slachtoffer voert daarentegen aan dat van hem, in het kader van zijn schadebeperkingsplicht, niet meer dan het redelijke kan worden gevergd, en dat hij – gezien zijn jonge leeftijd – zijn leven in beginsel naar eigen inzicht en wens moet kunnen inrichten. Hij wilde graag zelfstandig meubelmaker worden, maar dat is door zijn beperkingen (als gevolg van het ongeval) niet meer mogelijk. Wel wil hij nog graag als zelfstandig ondernemer aan de slag. Daarmee komt een spanningsveld op tafel: hoe ver reikt de schadebeperkingsplicht van een slachtoffer, en wanneer slaat deze plicht om in een onwenselijke beperking van het recht om zijn eigen leven in te richten?
De rechtbank is helder. Het recht op zelfbeschikking weegt zwaar. In aanmerking moet worden genomen dat het slachtoffer tegen zijn wil in de positie van benadeelde is gebracht door het ongeval. In redelijkheid kan hier niet worden gevergd dat het slachtoffer inkomen genereert als werkvoorbereider, ook niet als hij daartoe wel in staat zou zijn. Van belang is hier dat de keuze van slachtoffer om de opleiding tot werkvoorbereider te gaan doen geen volledig vrije keuze was, maar hem min of meer is opgedrongen door de omstandigheid dat het ongeval hem is overkomen. Het slachtoffer hoeft zijn levenswensen niet ondergeschikt te maken aan het belang van een lagere schadepost voor de verzekeraar. Zijn recht op zelfbeschikking dient hier te prevaleren boven zijn schadebeperkingsplicht.
De rechtbank verklaart voor recht dat de verzekeraar niet in redelijkheid van het slachtoffer mag verlangen dat hij als werkvoorbereider inkomen genereert om verlies van arbeidsvermogen te voorkomen en veroordeelt de verzekeraar tot betaling van een voorschot op het verlies van verdienvermogen. Maar de belangrijkste boodschap van deze beschikking gaat niet over bedragen, maar over positie: een letselschadeslachtoffer behoudt het recht op zelfbeschikking. De schadebeperkingsplicht is geen instrument om de autonomie van een slachtoffer te beperken.
De volledige uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant kunt u hier lezen (Rechtbank Oost-Brabant 18 december 2025 ECLI:NL:RBOBR:2025:8339).
Als u naar aanleiding van dit artikel nog vragen heeft, dan kunt u contact met ons opnemen voor een vrijblijvend en kosteloos advies.
Eva Blickmann
RAAF advocaten
E: info@raafadvocaten.nl
T: 0314 78 11 11